|
Roosendaal 27 januari 2011
BASKETBALL BASISREGELS VOOR BEGINNERS
Basketball is een wedstrijdspel net zoals voetbal en handbal. Van basketball wordt soms gezegd dat de spelregels ingewikkeld zouden zijn. Dat is eigenlijk niet zo want de basisregels zijn snel te leren en dan geniet je al snel van lekker potje basketball.
Als je besluit competitiebasketball te gaan spelen of zelfs scheidsrechter wilt worden dan moet je de officiële wedstrijdregels gaan leren.
Het doel van het spel is zoveel mogelijk punten te scoren en te verhinderen dat de tegenpartij scores maakt. Elke keer als de bal door de basket gaat scoort de doelende partij twee punten.
Gebeurt dit bij een vrije worp dan is dit slechts één punt. Gebeurt dit vanachter de driepuntslijn dan telt de score zelfs voor drie punten.
Het officiële speelveld is 15m breed en 28m lang. Daarop bevinden zich 5 spelers per team. Omdat vaak alle spelers aanvallen en verdedigen bewegen er, afhankelijk van de verdedigingsvorm, meestal 10 spelers binnen een halve cirkel met een doorsnede van 6 tot 7m gemeten vanaf de basket.
Jongeren tot 12 jaar spelen met een minibasketbal (balmaat 5) die kleiner en lichter is dan de basketbal van mannen (maat 7). Dames spelen basketball met een tussenmaat (maat 6). Bij jongeren tot 12 jaar hangt bovendien de basket op een hoogte van 2.65m, normaal hangt de basket op 3.05 m.
De teams in basketball worden aangegeven met de U en vervolgens een cijfer. Deze U staat voor Under. Het cijfer is de leeftijd die wordt bedoeld. U20 is dus een team met spelers van onder de 20 jaar oud. Verder wordt aangeduid J=Jongens, M=Meisjes of X=Mixed.
JU12 is dus Jongens tussen 10 en 12 jaar.
De verdeling van teams is als volgt: U8, U10, U12, U14, U16, U18, U20, en U22.
Daarna komen de senioren teams (H=Heren, D=Dames).
Een team heeft vijf spelers op het veld en maximaal zeven op de bank. De zeven op de bank zijn wisselspelers. Verder zitten op de bank de coach, soms vergezeld van een assistent, eventueel een scout (voor het noteren van individuele gegevens van de spelers), een verzorger en een teambegeleider. De coach is altijd verantwoordelijk voor het gedrag van iedereen die zich op de bank bevindt. Bij misdragingen van personen op de bank zal de coach worden bestraft.
Een wedstrijd wordt geleid door twee scheidsrechters. Scheidsrechters zien toe op de juiste speelwijze en het wedstrijdverloop. Scheidsrechters fluiten bij fouten en overtredingen en geven deze met handsignalen door aan de spelers en de wedstrijd/jurytafel
Aan de wedstrijdtafel wordt met de wedstrijdklok de speeltijd (timer) en de wedstrijdadministratie (scorer) van scores en fouten bijgehouden. Ook wordt hier de 24-secondenklok bediend (wordt niet gebruikt bij U12).
Een wedstrijdje basketball duurt bij de U12 acht keer 4 minuten zuivere speeltijd met maximaal 10 minuten rust. Bij de hogere teams is het vier keer 10 minuten met 15 minuten rust. De klok stopt bij elk fluitsignaal en in de laatste twee minuten van het vierde kwart en bij een eventuele verlenging – komt bij U12 niet voor - ook bij een score.
Tussen het 1e en het 2e kwart en het 3e en 4e kwart zit een pauze van 1 minuut. Een gelijkspel is niet mogelijk, behalve bij teams onder twaalf jaar. Bij een verlenging wordt de wedstrijd met telkens vijf minuten verlengd totdat er een winnaar is.
Bij U12 moet iedere speler tijdens de eerste drie kwarten van de wedstrijd minimaal 1 kwart gespeeld hebben en minimaal 1 kwart op de bank hebben gezeten. De enige uitzondering op deze regel is, wanneer een team over 8 spelers beschikt en 1 van deze spelers raakt geblesseerd of wordt gediskwalificeerd (bijv. 5e fout). Een speler die drie periodes heeft gespeeld, mag niet spelen in het 4e kwart. Alleen in het 4e kwart mag de coach spelerswissels aanvragen. In het 1e t/m het 3e kwart speelt een speler in principe het gehele kwart.
Na ieder fluitsignaal van de scheidsrechter wordt de klok stilgezet. Hij gaat weer lopen wanneer na het in-het-spelbrengen van de bal, deze door een speler in het speelveld aangeraakt wordt. Na een score wordt de klok niet stilgezet omdat de scheidsrechter niet fluit.
Iedere ploeg heeft maximaal per speelhelft (1e en 2e kwart en 3e en 4e kwart) 2 time-outs voor teamoverleg van ieder één minuut. Een time-out wordt toegestaan wanneer de klok stil staat.
Er zijn verschillende soorten fouten die door een speler of coach gemaakt kunnen worden. We spreken van een fout wanneer deze wordt bestraft met een notitie op het scoresheet.
De verschillende fouten die er zijn:
- Persoonlijke fout (“P”)
- Onsportieve fout (“U”)
- Technische fout (“T”)
- Diskwalificerende fout (“D”)
De persoonlijke fout:
Stel je voor; je bent aan het verdedigen en wil de bal afpakken. Hierbij duw je per ongeluk tegen de arm van de aanvaller. Dit is een persoonlijke fout. Een persoonlijke fout wordt ook wel een ‘P’ genoemd. Krijg je een vijfde P dan moet je het veld verlaten. Onsportieve fout:
De scheidsrechter kan je ook een onsportieve fout geven. Deze krijg je als de scheidsrechter ziet dat je expres gevaarlijk speelt. Bijvoorbeeld als je iemand expres onderuit wilt halen en duidelijk niet speelt om de bal te pakken. Een onsportieve fout wordt ook wel een ‘U’ genoemd. Deze U is de U van unsportive wat Engels is voor onsportief. Krijg je een tweede U-fout, dan wordt het een D-fout en moet je de zaal verlaten. Technische fout:
Klagen tegen een scheidsrechter kan een technische fout opleveren. Deze krijg je bijvoorbeeld bij schelden of zeuren. Een technische fout wordt ook wel een ‘T’ genoemd. Krijg je een tweede T-fout, dan wordt het een D-fout en moet je de zaal verlaten. Diskwalificerende fout:
Deze komt gelukkig heel weinig voor. Als je deze krijgt heb je bijvoorbeeld iemand heel hard geslagen of uitgescholden, dit kan ook de scheidsrechter zijn. 2 Technische fouten zijn automatisch een diskwalificerende fout. Een diskwalificerende fout wordt ook wel een ‘D’ genoemd. Speler of Coach die D-fout krijgt kan tucht/strafrechtelijk worden vervolgd, met boete en/of schorsingen tot gevolg. De straf bij een persoonlijke fout: (voor de ploeg op wie de fout werd begaan)
- inworp vanaf de zijkant bij eenvoudige fouten
- 2 vrije worpen bij opzettelijke (U-fout) en grove fouten (D-fout), gevolg door inworp vanaf zijkant t.h.v. Middellijn
- 2 vrije worpen bij een fout tegen een speler die een doelpoging ondernam, in het geval het schot mis ging, en bij meer dan 4 teamfouten
- 3 vrije worpen als het een driepunts doelpoging was
- 1 vrije worp bij een fout tegen een op de basket schietende speler in het geval het schot doel trof.
De speler, tegen wie de fout begaan is, moet de vrije worpen zelf uitvoeren.
Naast (persoonlijke) fouten zijn er overtredingen van de spelregels (lopen, second dribble, uitbal enz.) die met balverlies worden bestraft.
Een speler die 5 fouten (persoonlijke en technische) heeft gekregen moet het speelveld verlaten. Hij kan door een wisselspeler vervangen worden.
Heeft een ploeg in één speelkwart gezamenlijk 4 persoonlijke fouten gekregen, dan wordt iedere verdere fout in dat speelkwart met twee vrije worpen bestraft.
Aan het begin van een wedstrijd staat van elke partij één speler in de middencirkel en de rest er omheen. De bal wordt opgegooid en beide spelers springen om de bal naar een teamgenoot te tikken. Dit is de jumpof sprongbal.
Zodra deze sprongbal heeft plaatsgevonden treedt de ‘beurtelings balbezit regel’ in werking.
De ploegen krijgen om de beurt de bal als:
- Twee spelers de bal tegelijk vasthebben
- Het niet duidelijk is wie de bal als laatste heeft aangeraakt
- Spelers van beide partijen een persoonlijke fout krijgen (dubbelfout)
De ploeg die geen balbezit heeft na de sprongbal zal als eerste de bal krijgen door een inworp ter hoogte van de plek waar de situatie zich voordoet. De ploeg die beloond wordt met de ‘om beurten balbezit inworp’ wordt aangeduid met de beurtelings balbezit pijl die op de wedstrijdtafel staat. De richting van deze vaak rode pijl wordt steeds omgekeerd als de beurtelings balbezit inworp heeft plaats gevonden.
Een speler mag niet lopen met de bal in de hand. In totaal zijn slechts twee contacten (aanrakingen met de grond) toegestaan met de bal in de hand.
Vangt de speler de bal in stand (1e contact) dan mag hij met het speelbeen nog één pas maken (2e contact). Het andere been wordt standbeen genoemd.
Een speler mag net zo veel passen met het speelbeen maken (pivoteren) als hij wil als hij daarbij zijn standbeen maar niet verplaatst. Het draaien op de plaats is toegestaan.
Met de bal in de hand springen en weer landen is een loopfout.
Bij het dribbelen wordt de bal met de hand op de grond gestuiterd. Nadat de bal met één of beide handen tot stilstand is gebracht is het opnieuw dribbelen niet toegestaan (second dribble).
De bal is uit wanneer hij buiten het speelveld op de grond of op de lijn valt. Hij is ook uit wanneer de bal door een speler aangeraakt wordt die buiten het speelveld staat of de lijn aanraakt.
Geen speler van het team dat in balbezit is, mag langer dan 3 seconden in de begrensde zone (de bucket) van de tegenpartij staan als deze speler actief aan het spel deelneemt. Na een doelpoging wordt opnieuw begonnen met het tellen van de 3 seconden.
Een team moet binnen 5 seconden een inworp of een vrije worp uitvoeren.
Een team moet binnen 8 seconden de bal vanaf de eigen helft naar de helft van de tegenstander gespeeld hebben. Terugspelen naar eigen helft is bij teams boven U12 niet toegestaan.
Een ploeg (van U20 en Hoofdklasse) moet binnen 24 seconden een doelpoging hebben ondernomen.
Een speler mag de basket met inbegrip van het net of het bord niet aanraken als de bal zich op de ring bevindt.
Een bal, die in een dalende lijn boven de ringhoogte is, mag door géén speler in de bucket aangeraakt worden tot de bal de ring geraakt heeft.
|